×

Waarschuwing

JFile: :lezen: Kan het bestand niet openen:

Als we Jante Schmidt en Margo Trappenburg (NRC, 18 mei 2015) mogen geloven, zitten gemeenteraden de hele dag op hun handen terwijl een paar actieve, hoog opgeleide inwoners besluiten nemen over de toekomst van hun gemeente. De gemeente trekt zich terug en dat heeft kwalijke gevolgen. Hoe anders is de werkelijkheid.

Het zou niet meer dan normaal moeten zijn dat inwoners invloed kunnen uitoefenen op hun leefomgeving. Dat de gemeente, de overheid die het dichtst bij de burger staat, zich rekenschap geeft van hun opvattingen en daar serieus naar luistert. Dat gaat soms over grote beleidsvraagstukken en heel vaak over uitvoerende zaken, zoals de precieze inrichting van een weg of de exacte locatie van de te plaatsen prullenbak. In het verleden werd dit bepaald door een ambtenaar; nu wordt eindelijk op voorhand met bewoners besproken. Althans: er wordt aan gewerkt dit te verbeteren. Het werd eens tijd! 
Het is fantastisch om te zien dat veel gemeenten stappen zetten om inwoners meer invloed te geven. De Stadsgesprekken in mijn eigen stad Utrecht, burgerpanels, G1000: op allerlei plekken wordt geëxperimenteerd. En dat gebeurt als aanvulling op de representatieve democratie. Raadsleden kunnen dergelijke participatieve vormen volgen, beoordelen en mede op basis daarvan hun keuzes maken.
Het zijn vaak hoogopgeleiden die hun weg weten te vinden naar de gemeente. Maar dat is niets nieuws. Juist door meer samen te werken met de inwoners, wordt de vraag over representativiteit veel vaker gesteld en beantwoord en wordt bewuster nagedacht over het bereiken van meer of andere inwoners. En dát is winst. 
Een gemeente die serieus wil luisteren naar inwoners, die hun gebruikerskennis en de professionele kennis van ambtenaren beiden meeweegt: die gemeente is beter voor al haar inwoners. En in tegenstelling tot wat de onderzoekers in hun artikel suggereren, hebben de meesten van ons nog lang niet met zo'n gemeente te maken.

Veel gemeenten werken niet alleen aan meer invloed van inwoners op hun plannen, maar proberen ook ruimte te creeren voor inwoners met eigen initiatieven. tie. De zogenaamde doe-democratie krijgt veel aandacht, vooral de 'hippe' varianten die we vroeger niet hadden. Maar laten we wel wezen: Nederland is groot geworden door de doe-democratie. Het aantal vrijwilligers in Nederland is groot, we barsten al decennia van de verenigingen. Niet omdat deze regering de participatiesamenleving uitroept, maar omdat veel mensen graag samen dingen ondernemen. Is er dan geen verschil met vroeger? Jawel. Kritische burgers die zien dat de reguliere dienstverlening niet de kwaliteit heeft die ze zoeken, realiseren hun eigen alternatief. Denk aan zorgcoöperaties en aan ouderparticipatiecrèches. Mensen willen een alternatief voor logge bureaucratische organisaties. Deze mensen kloppen aan bij de gemeente om een deel van het beschikbare budget naar zich toe te trekken. En terecht. Moeten we daarbij goed kijken naar de voorwaarden waaronder dit gebeurt? Uiteraard! In diverse landen is al veel ervaring opgedaan met zogenaamde buurtrechten, die dergelijke processen formaliseren. Daarvan kunnen we leren wat we vooral wel en wat we vooral niet moeten doen.

En nu zijn we weer terug bij de rol van politiek en bestuur. Want de keuzes over welke doelen je in bijvoorbeeld zorg en welzijn wil bereiken, en hoe je dat gaat doen, worden nog steeds in de politieke arena gemaakt. Daarbij moeten de inwoners van de gemeente centraal staan en op tijd kunnen meepraten. De gemeente moet haar best doen om niet alleen de 'usual suspects'  te spreken, maar juist ook de mensen die dagelijks met een voorziening of dienst te maken hebben. Maar uiteindelijk maakt de gemeenteraad een keuze en weegt daarbij zo goed mogelijk tussen haar eigen toekomstvisie, de wensen van inwoners en andere belangen die spelen. De stem en de rol van de inwoner, ongeacht zijn opleidingsniveau, weegt daarin steeds zwaarder. En dat moeten we stimuleren.

 "Je hebt zo'n ambtenaar volgende week toch weer nodig." zei een actieve Utrechter laatst tegen mij. Het was de uitleg waarom hij terughoudend is om de vinger op de zere plek te leggen, als het gaat om zijn samenwerking met de gemeente. Hij weet (of denkt te weten) wie niet meebeweegt, wie is vergeten te communiceren e.d., maar wil dat niet te expliciet benoemen.

Bewoners spreken er daarom liever over dat 'de gemeente' zus-en-zo doet. Maar 'de gemeente' bestaat helemaal niet: het zijn altijd mensen die iets doen. Die ambtenaar, die wethouder of dat raadslid. Soms is het gewoon lastig voor een inwoner om te zien wie iets nu gedaan heeft of juist tegenhoudt. Gemeentelijke organisaties blinken vaak niet uit in overzichtelijkheid en inwoners weten ook lang niet altijd hoe de verhouding tussen college, ambtelijk apparaat en gemeenteraad nou precies in elkaar zit. Maar vaak durven bewoners het ook niet aan om kritisch te zijn, bang om daarmee de relatie te verslechteren. Of dat een terechte angst is, weet ik niet. Hoe aanspreekbaar is de gemiddelde Utrechtse ambtenaar op zijn/haar gedrag?

Andersom vinden ambtenaren en politici het overigens ook moeilijk om een actieve inwoner kritisch aan te spreken: het zijn toch mensen die vrijwillig veel tijd in hun (ideeën voor de) stad steken. Je wilt ze niet voor het hoofd stoten, het is prachtig dat ze zich zo inzetten! Dat is natuurlijk ook zo, maar als die inzet verhoudingen verstoort of anderzins niet-productief is, mag dat best gezegd worden. Maar is de actieve inwoner daarvan gediend?

Kritisch zijn op jezelf en elkaar, elkaar aanspreken op verkeerd gedrag: het is in mijn beleving een randvoorwaarde voor betere samenwerking tussen gemeente en inwoners. Zonder reflectie leren we niet of niet snel genoeg. De kern van de beweging die we met elkaar willen maken is dat we echt met elkaar in gesprek gaan. Niet alleen over de inhoud, maar ook over de relatie en het proces. We moeten onze vragen, angsten en twijfels op tafel leggen, ook die over onze gesprekspartner. Want als belangrijke zaken ongezegd blijven, verandert er niets. En kun je bovendien nog heel lang op inhoud aan het werk blijven (langs elkaar heen?), zonder resultaat.

Dat vraagt wel om 'grote mensen'. Mensen die kritisch naar zichzelf kunnen kijken, die kritiek kunnen incasseren, die leren van wat ze te horen krijgen. Die niet alleen maar bezig zijn me hun eigen gelijk, maar oprecht naar het idee van de ander luisteren. Het vraagt ook ruimte en tijd om een dergelijk proces met elkaar te hebben. Een proces waarin gewerkt wordt vanuit gelijkwaardigheid en waarin er tijd is om te werken aan het onderlinge vertrouwen.

Ik klink in de oren van sommigen vast als idealistisch of zelfs naïef. Maar ik geloof dat we beter kunnen en ook dat we de gesprekken zoals hierboven beschreven, daadwerkelijk kunnen (en moeten) voeren. Ik blijf mijn best doen om met open vizier zowel inwoners, ambtenaren als collega-politici aan te spreken en mijzelf ook door hen te laten aanspreken op mijn gedrag. Ik hoop dat velen met mij meedoen. Met die actieve Utrechter sprak ik af dat we over dit onderwerp nog eens zouden doorpraten. Dit is een mooie aanleiding om hem uit te nodigen. Andere (grote en kleine) Utrechters zijn natuurlijk ook van harte uitgenodigd!

Any data to display